Wat moet ik?

Wat moet ik hier nou mee? Ben ik net lekker bezig iedereen wakker te schudden voor het kwaad en wijs ik naar wie het goede met ons voor heeft en wie niet, tikt er eentje op mijn schouder en zegt dat hij Jezus Christus is. Nou weet ik wel, dat we zijn naam best wel vaak aanhalen, maar om nou te zeggen dat we in hem geloven is wat te veel gevraagd. Meestal weten wij wel beter.
Maar goed, ik wil ook niet onbeleefd zijn, dus ik draai mij om en vraag hem op de man af wat hij wil. Of ik wel weet wat ik aan het doen ben. Daar zakt mijn broek natuurlijk van af. Dat kan iedereen toch zien en als hij echt Jezus is dan weet hij dat natuurlijk al lang. Maar goed, het zou nogal bot zijn als ik dat zou zeggen, dus vertel ik hem dat ik druk ben met het bestrijden van onrecht, machtsmisbruik, corruptie en niet te vergeten kindermisbruik. Ik moet zeggen dat hij mij heel vriendelijk blijft aankijken en hij luistert echt.
‘Wat denk je daarmee te bereiken?’ Weer zo’n naar mijn gevoel domme vraag.
‘Een betere wereld natuurlijk. Als er genoeg mensen gaan inzien dat ze belazerd worden dan kan het tij nog gekeerd worden.’
‘Zou je willen dat ik je daarbij help?’
Daar reken je niet op, op zo’n vraag. Ik wil alleen handtekeningen, volgers en donaties. Wat moet ik überhaupt aan met mensen die mij daarbij willen helpen, laat staan Jezus. Dat ze mijn verhaal ook gaan promoten? Prima natuurlijk, maar misschien willen ze daarbij dan ook nog eens hun eigen verhaal doen, ja in dat geval ben ik bang dat mijn verhaal zou kunnen ondersneeuwen. Dus:
‘Nee, ik zit niet bepaald op jouw hulp te wachten, ook al ben je drie keer Jezus.’
Alhoewel ik hem nu niet bepaald hoffelijk behandelde, bleef die Jezus mij toch heel beminnelijk aankijken. Na een korte stilte vroeg hij mij of ik wist wat híj wil?
Ik dacht bij mezelf dat hij weliswaar alleen het goede wil, net als ik, alleen heb ik nooit goed begrepen hoe hij dat voor elkaar wil krijgen. In ieder geval was zijn methode in het verleden niet bepaald succesvol. Wat kan ik hier nu op zeggen? Omdat hij mij vol vertrouwen bleef aankijken, vatte ik moed. ‘Kijk’, zei ik, ‘als ik god zou zijn, dan zou ik nooit toestaan, dat een paar mensen hele volksstammen over de kling jagen. En jij mag dan wel beweren een zoon van God te zijn met dezelfde kracht en macht, je hebt daar mooi geen einde aan weten te maken. Sterker nog, je hebt je gewoon laten oppakken als een misdadiger. En het lijkt er vandaag de dag op dat we nu aan de vooravond staan van een vernietiging op wereldschaal. Ik vraag me dus sterk af of ik jouw hulp wel kan gebruiken.’
Je zou denken dat hij zich nu toch wel heel erg beledigd zou voelen, maar niets daarvan. Weet je wat hij zei?
‘Je denkt toch zeker niet, dat wat er nu allemaal op aarde gebeurt mijn wil is? Je kunt er zeker van zijn dat dit alles te maken heeft met wat de mensen willen. Heb je je wel eens afgevraagd wat er gebeurt als je zou doen wat mijn wil is?’
Weer zo’n vraag die mij deed stuiteren. Wat zou hij dan willen en als ik de enige zou zijn dan is dat toch een druppel op de hete plaat. Geen moer zou er veranderen. Maar ik antwoordde hem dat ik geen idee had wat zijn wil voorstelde en met mij ik weet niet hoeveel mensen.
‘Ik begrijp dat je nooit echt de moeite hebt genomen om je in mij te verdiepen. Je hebt je zelfs niet echt verdiept in jezelf, niettemin ben je van oordeel de aangewezen persoon te zijn om de wereld te redden met waarschuwingen, zoals andere lieden het de gewoonste zaak van de wereld vinden om desnoods met geweld hun wil aan anderen op te leggen. Zo staat de ene wil tegenover de andere wil. Van mijn wil willen ze niets weten, ook al doen velen het voorkomen, dat ze in mijn naam handelen. Bovenal wil ik, dat de mensen vrij zijn in hun willen. Ik zou beslist een verschrikkelijke heerser zijn als ik de vrije wil van de mens zou afnemen.’ Hij keek me aan alsof hij wilde zeggen dat het anders gedaan zou zijn met de mensheid.
‘Wel, je bent ook een mooie, je laat ons dus gewoon stikken’, sputterde ik.
‘Jullie kunnen alleen elkaar laten stikken. Mij kunnen jullie nooit laten stikken, net zo min als jullie de zon kunnen blussen. Ik heb jullie desondanks lief als mijn kinderen, ook al zijn jullie nog steeds hardleerse, dove en blinde larven.’
In nog geen oogwenk was hij uit beeld. In plaats daarvan stond er een lam voor me, een lief klein lammetje. Wat moet ik daar nu mee? Wat zou die Jezus willen wat ik zou willen?

E. N. Keling, 19-02-26